De behekste koek.
In Aartselaar woonde een
oud wijveke dat de naam had een heks te zijn. Iedereen schuwde haar als de pest,
alhoewel ze altijd vriendelijk en gedienstig scheen. Maar met heksen weet ge
nooit, natuurlijk. Op een dag was ze gekomen om te vragen of ze geen aardappelen
moesten hebben, maar ze hebben haar weggestuurd, zeggend dat ze die nog niet
voor niets zouden gewild hebben van een heks. En daarop moet zij haar wraak
genomen hebben. Want een tijdje nadien stuurde de vrouw uit dat café
haar zoontje Stanneke, dat met moeite lopen kon, naar zijn Nonkel Jef met aardappelschillen
voor zijn konijnen en die gaf hem centjes om in de winkel bollekes mee te kopen.
Maar die heks moet in dat winkeltje gestaan hebben. Ze gaf Stanneke een koekje,
lei een stokvis in zijn mandje en bracht hem naar huis.
De moeder zag dat haar zoontje een koek in de hand had en ze dacht wel dat de
heks het hem gegeven had. Ze wou het hem afnemen. ,,Waarom," zei de heks,
,,het smaakt hem, dat ziet ge wel!"
,,Ge zijt een smerige ros," zei de moeder en ze smeet de deur toe. Die
stokvis gooide ze op de vuilhoop, maar voor de koek was het te laat. En van
dan af begon Stanneke te schreien, de zon was nog maar onder of Stanneke was
aan het huilen. In het begin was dat maar een korte tijd, maar iedere dag duurde
dat langer en langer. De mensen die daar op café kwamen, vonden dat niet
plezierig en ze zeiden haar dat ze beter op haar kleine moest letten.
Op de duur hield die moeder dat niet meer uit en ze ging ermee naar de Pastoor,
maar die zei: ,,Dan kan ik hier elke nacht opstaan, als er een kleine pijn in
zijn buik heeft."
,,Ge moet naar Wilrijk gaan," zeiden de mensen, ,,daar genezen ze ervan."
Ze ging naar twee oude ventjes in Wilrijk om hem af te lezen, maar ze moest
zien dat ze voor zonsondergang terugkwam. Ze reden met de kar naar
Wilrijk en het was alsof dat baasken nog meet betoverd was.
![]() |
Want de vader, die nochtans
een sterke vent was, kon hem bijna niet van de kar krijgen, hij moest eraan
trekken uit alle macht.
,,Het is al te vet," zeiden die twee ventjes, ,,het zit al in zijn
buikske." Zodus konden zij hem niet meet redden. Daarop keerden ze
met hem weer naar Aartselaar.
En iemand gaf hen de raad bij een dokter te gaan. Maar die zei: ,,Die ziekte,
daar kan ik niets aan doen. De kinderen van de suisse, die hebben dezelfde
ziekte gehad en die zijn ervan genezen, maar daar zijn ze mee naar Bornem
geweest."
Toen ze naar ginder vertrokken, zijn ze met de boot over de Schelde gezet
en drie keer hebben ze in hetzelfde café naar de weg gevraagd. En
zweten dat ze deden! Op de duur kwamen ze toch bij de Paters en die hebben
de kleine afgelezen. Daar laten ze u anders ook de heks zien in een spiegel,
maar die mensen wilden dat niet, om geen verdere ruzie te hebben in bet
dorp. Een van de paters zei dat hij Stanneke een bijzondere zegen zou geven,
dat hem niets meer kon overkomen. Maar uit schrik om die heks dierven die
mensen niet meet langs dezelfde weg terug. En schreeuwen dat dat kind deed
onderweg! Op de trein zeiden de mensen: ,,Wat een bedorven kind! Geef bet
wat kletsen op zijn broek." Maar de moeder gaf natuurlijk geen uitleg,
veel te bang als ze was dat de heks haar zoontje zou meegenomen hebben.
Ze kwamen thuis en zetten hem neer. Direct vroeg het manneke: ,,Moeke, mag
ik gaan spelen?" Het was over en uit. Maar hoe oud Stanneke ook werd,
telkens als hij kinderen zag die een koekje aannamen, zei hij:
,,Geef dat weer of moet ge ook pijn in de buik krijgen misschien?"