Provincie: Antwerpen
Stad/Gemeente: Geel.


 

De legende van de H. Dimpna.

 

Een document van omstreeks 1247 verhaalt voor het eerst en, in het Latijn, het leven van de H. Dimpna, maar het gebeuren speelt zich vijf eeuwen vroeger af.
Volgens dit verhaal was Dimpna een Ierse koningsdochter die leefde op het einde van de 7de of het begin van de 8ste eeuw. Haar vader was nog heiden maar haar moeder, de koningin, liet haar dochter door de priester Gerebernus dopen en voedde haar op in het kristelijk geloof.
Na de dood van zijn gemalin was de koning ontroostbaar; niets of niemand kon hem nog enige vreugde verschaffen. De hovelingen gaven hem daarom de raad een nieuwe vrouw te zoeken die in schoonheid zijn vroegere vrouw zou evenaren. De uitgezonden raadslieden kwamen echter allen onverrichterzake terug, want een dergelijke vrouw was niet te vinden; maar zij raadden de koning aan zijn eigen dochter te huwen. Gegrepen door een duivelse begeerte, vroeg de koning dus zijn dochter ten huwelijk.
De diepgelovige Dimpna werd hierdoor zeer geschokt en wees het aanzoek beslist af. En om aan haar vaders toorn te ontsnappen, vluchtte zij weg met haar biechtvader Gerebernus, de hofvedelaar en diens echtgenote. Over zee en langs de Schelde kwamen zij te Antwerpen, waar zij veiligheidshalve verder het land en de bossen introkken. Te Geel vonden zij een kapel, toegewijd aan St. Maarten. In de nabijheid daarvan bouwden zij zich een nederige hut
Maar de koning had reeds het spoor van de vluchtelingen gevonden tot in Antwerpen vanwaar hij weer zijn raadslieden het land instuurde om Dimpna te vinden. Zo kwamen de verkennners te Westerlo, dicht bij Zammel.Toen zij daar het gelag betaalden in de herberg, merkte de waard op dat een uitheemse maagd, die een weinig verder woonde, met dezelfde munt betaalde, en dat zij vergezeld was door een oude priester, een man en een vrouw.


Zich niet bewust van zijn onvrijwillig verraad verschafte hij hun nadere inlichtingen over hun verblijf. (De overlevering voegde daaraan toe dat, toen ook de waardin met uitgestrekte arm de richting aanwees, deze arm tot haar straf uitgestrekt bleef.)
Toen de verkenners spoorslags naar Antwerpen terugreden en daar aan de koning boodschapten dat zij Dimpna gevonden hadden, trok deze meteen er op uit om zijn dochter te Geel weer te zien. Ook nu weigerde Dimpna halsstarrig in te gaan op het onmogelijke voorstel van haar vader. De koning ontstak hierop in een waanzinnige woede en onthoofdde eigenhandig zijn dochter. Ook Gerebernus werd vermoord, en beide martelaren werden door de inwoners piëteitsvol begraven. Op die graven werd weldra gebeden tegen waanzin.
Toen later de martelaren werden opgegraven om de relieken in de kerk de eer van de altaren te geven, werden de gebeenten van Dimpna en Gerebernus aangetroffen in twee blanke lijkkisten van witte zandsteen, een materiaal dat hier onbekend was. Zo geloofden de inwoners dat de martelaren destijds door de engelen begraven werden. Zij aanriepen hen als heiligen ter genezing van allerlei ziekten, maar vooral tegen krankzinnigheid, opdat Dimpna door haar vader in een vlaag van waanzin werd vermoord.

Van heinde en verre kwamen de bedevaarders naar Geel om op het graf van de heilige Dimpna gedurende negen dagen genezing af te smeken; weldra verblijvend in de "ziekenkamer", een tegen de kerk aan!eunend gebouw. Wegens de grote toeloop van "besetene en onnoosele pelgrims" moesten dezen hun beurt afwachten om in de "ziekenkamer" de "novene" of boete te doen. Voor die wachttijd zochten zij onderdak bij de Geelse inwoners. Zo ontstond de vermaarde Geelse 'gezinsverpleging", een unicum in de wereld, dat voor Geel de erenaam verwierf van "Barmhartige Stede".

Deze pagina hoort bij stedeninfo.be