De Gelieven van het Monnikenhof.
In Bornem, op het Monnikenhof, woonde in de tijd een baron. De grote baas,
op het kasteel, daar waar nu het gesticht is, was graaf van Rekkem.
De dochter van de baron kreeg kennis met de zoon van de graaf, maar voor de
graaf was een dochter van een baronneke een beetje te min. Dat kon niet, volgens
hem en daarom deed de graaf niets anders dan stokken in de wielen steken opdat
de twee niet met mekaar zouden trouwen.
Op het land van de baron bevond zich een diepe waterput, zoals je die vroeger
overal vond en waarvan je er in de Kempen nog kan zien.
In die put hebben de twee geliefden zich verdronken.
De ouders van het meisje besloten toen om het hof te verlaten en de graaf besloot
dit hof, dat zijn eigendom was, te geven aan de zusters Bernardienen.

In ruil daarvoor moesten ze alle nachten gaan bidden aan de put. De zusters
namen het aanbod aan, of ze nu 's nachts bidden of overdag, voor hen blijft
dat toch allemaal hetzelfde.
Vroeger was er geen straatlicht en alles was pikdonker en zoals men beweert
kwamen en gingen daar, eens van hier en eens van daar, witte spoken.
Dat waren de geesten van de twee verliefden die verdronken waren. En de mensen
zeiden: "Het spookt op het hof". Op het laatst durfde niemand meer
in de omgeving het hof te komen. Ook de zusters niet.