De bergmannetjes.
Ten noordoosten van de woonkern
van Kasterlee verrijst een heuvel die Asberg wordt genoemd. Niet ver ervandaan
lag vroeger de dorpsweide waarop een koewachter zijn vee liet grazen. Om naar
de weide te gaan, was de jongen elke dag verplicht vlak langs de Asberg te passeren
en telkens dook een graatmagere koe uit de heuvel op. Ze liep mee naar het weiland
en graasde het razend snel af, zodat de overige koeien bijna geen voedsel meer
hadden.
Wat hij ook ondernam, de koewachter kreeg de magere koe maar niet weg.
Hij vertelde het aan de boer, die krabde achter zijn oren en ried hem aan de
magere koe bij zijn staart de berg weer in te trekken.
Zo gezegd, zo gedaan en zodra de koe verscheen, pakte de jongen ze vast bij
haar staart en trok ze de Asberg in. En wat zag hij daar?
Wel vijftig kabouters,
druk doende met koeken bakken. Ze dekten de tafel en nodigden de koewachter
uit om zich te goed te doen aan de koeken.
Dat liet hij zich geen tweemaal zeggen. Maar nauwelijks had hij een stuk
ervan geproefd, of hij viel achterover, morsdood.