De Kaboutermannekens en de verliefde Jongeling.
Sedert lang zijn de Kaboutermannekens
tot allemans vreugde uit de kempen verhuisd. Het was een aardig volkske. Met
duizenden woonden zij in een berg, die men de dag van vandaag "Kabouterberg"
noemt. Zij hadden er de vossen en de konijnen verjaagd en hadden hem verder
helemaal uitgegraven.
Aan de ene kant van de Kabouterberg was een grote poort, die men langs de binnenzijde
sloot en langs daar werd alles binnengebracht wat zij gedurende de nacht bij
de boeren gestolen hadden. En dat waren niet alleen kalkoenen, eenden, kiekens,
konijnen, maar zelfs kalveren, koeien en ossen. Als het donker werd, kwamen
zij allemaal samen uit hun schuilhoek en trokken naar een boerenhof. Daar kozen
ze in de stallen al wat hen beviel en gingen ermee naar hun Kabouterberg.
In het begin verzetten de mensen zich daartegen, maar zij ondervonden weldra
dat alle tegenstand nutteloos en voor hen noodlottig was. Want kwam er iemand
om hen te verjagen, dan sprongen de kabouters met honderden op hem, klampten
zich aan hem vast zodat hij niet meer verroeren kon en ranselden hem onbarmhartig
af. En het mooiste van al was dat er nooit een kaboutermanneke in de slag bleef.
Werd er een vastgegrepen, zo ontglipte het aan de hand als een paling.
In die streek leefde een jonge, kloeke boer die vroeger vijftien koeien had,
deze werden hem alle ontstolen door de deugenieten. Hij beminde Mieke, de dochter
van zijn rijke buur en Mieke zag hem ook gaarne.
Op zekere dag kwam de jongen bij de vader en vroeg hem met Mieke te mogen trouwen.
Maar de boer schoot in een helse gramschap.
"Mijn Mieke"
zei hij "zal niet trouwen met iemand die geen fluit bezit en enkel
goed is om de koeien te gaan wachten. Mijn Mieke zal maar trouwen met iemand
die haar tienduizend gulden meebrengt."
De jongeling was erg bedroefd. Wat gedaan? Hij trok naar de kabouterberg.
Misschien zouden de kaboutermannekens hem zijn koeien weergeven. Het begon
al donker te worden, toen hij de kabouterberg bereikte. Hoe hier nu binnengeraken?
Daar hij niet wist hoe hij binnen moest, wachte hij. Het kon al één
uur van de nacht zijn, toen een koe kwam aangelopen en de poort geopend
werd om ze binnen te laten. Snel greep de jongen de staart van de koe en
daar was hij binnen. Nauwelijks hadden de mannekens hem bemerkt of alles
raakte in rep en roer. Uit alle hoeken en kanten kwamen zij bijgesneld en
sloegen en schopten hem zo erbarmelijk dat hij weldra halfdood op de grond
uitgestrekt lag.
"Mannekens, mannekens " riep hij "houdt nu op met slaan.
Ik kwam om u iets te vragen. En staat het u niet aan, laat mij dan vertrekken
of liever, slaat mij helemaal dood, want dan heb ik geen hoop meer".
En hij deed zijn geschiedenis uiteen en hij sprak zo schoon, dat zij met
hem medelijden kregen. Ze lieten hem naar huis gaan en in zijn stal vond
hij zijn vijftien koeien en op tafel in huis vond hij een zware beurs vol
gouden kronen. En nu bood de rijke boer geen tegenstand meer. De jongen
trouwde met Mieke en zij waren gelukkig.
Maar de historie van de jongeling was weldra voor iedereen bekend en de
kaboutermannekens kregen op den duur alle dagen te doen met verliefden,
die hun hulp kwamen afsmeken. Maar al die tranen begonnen hen te vervelen
en, om gerust te zijn, maakten zij op zekere avond hun pakken en zakken
gereed en trokken het land uit, aan de overkant van de Rijn, waar ze nog
leven.